Skip to navigation Skip to main content
Wandelen Met Kinderen Bos

‘Wow, lopen jullie kinderen echt mee tijdens vakanties?’ Het is een vraag die we opvallend vaak krijgen als we na een vakantie vertellen over de wandelingen die we hebben gemaakt. Wij hebben niet toevalligerwijs drie kinderen gekregen die dol zijn op wandelen. We hebben wél de omstandigheden gecreëerd waardoor ze het leuk vinden om mee te gaan.
Ik ga je hier niet vertellen dat je genoeg water mee moet nemen, dat goed schoeisel verstandig is als je de bergen in gaat en dat je juist voor je kinderen warme kleding in je rugzak stopt voor als het weer omslaat. Er zijn honderden blogs online te vinden die je precies dát vertellen. Dit is een verzameling tips uit onze trukendoos. Hiermee hebben we inmiddels honderden zeursessies overleefd en desondanks gaan we nog steeds graag met onze kinderen op wandelvakantie. Komt-ie!

1. Makkelijk is moeilijker

Het klinkt misschien logisch om met kinderen vooral een makkelijke wandeling uit te kiezen. Lekker vlak. Breed pad. Rechttoe rechtaan.
Niet doen. Juist op zo’n pad wordt wandelen al snel precies dat: wandelen. Het ene been voor het andere zetten, kilometers lang. En dat is voor kinderen vaak behoorlijk saai.


Kies liever een route die op en af gaat en waar de ondergrond steeds verandert. Smalle paadjes, zand, grind, stenen, uitstekende boomwortels, rotsen om overheen te klauteren, een beekje dat moet worden overgestoken: dát zijn de elementen waar onze kinderen van aangaan. Hoe meer natuurlijke hindernissen, hoe beter.


Houd natuurlijk wel rekening met de afstand. Onze jongens zijn inmiddels vier, zes en acht jaar en op glooiend terrein ligt onze grens momenteel zo rond de zes à zeven kilometer (volledig zelf lopend door de oudste twee). Een avontuurlijke zes kilometer werkt bij ons alleen veel beter dan vier kilometer over een kaarsrecht grindpad. Makkelijker is dus lang niet altijd makkelijker.

2. Laat los. En speel mee.

Je gaat niet in één ruk die wandeling uitlopen. Vergeet het maar. Kinderen stoppen. Vaak. Ze zien een mooie tak. Een steen. Een kever. Zijn wij die ouders die ooit kikkervisjes in een oude petfles meenamen, ze thuis in een goedkoop terrarium zette met natuurlijk gras en hout en uiteindelijke ineens kikkers hadden. Misschien.


Het vermogen van kinderen om zich te verwonderen over dingen waar wij volwassenen achteloos aan voorbijlopen is een prachtige eigenschap. Het is soms ook gewoon bloedirritant. Want als wandelaar ben je gewend om door te lopen. Natuurlijk neem je af en toe pauze, maar niet om de zeven minuten omdat iemand een stok heeft gevonden die écht mee moet.


Je kunt je daar heel lang tegen verzetten – geloof me, mijn man probeert het nog steeds – maar het helpt niet. Dus: die tak gaat mee. Gooi die steen maar in het water. Klim even op die boomstronk. En speel mee.


Wij laten bijvoorbeeld regelmatig twee of drie gezinsleden vooruitlopen, waarna er ergens langs de route een hinderlaag wordt voorbereid voor de achterblijvers. Dennenappels blijken daarbij uitstekend dienst te doen als munitie. 

Zijn we vijf minuten later? Ja. Heeft iedereen ineens weer zin om verder te lopen? Ook ja.

Kimfairley
Kim
Kind bergwandeling klimmen trap
Wandeling met kind op de nek

3. Zorg dat er iets te halen valt

Uiteindelijk wil je natuurlijk wél die wandeling afmaken. En daarvoor hebben we in de loop der jaren een behoorlijk arsenaal aan foefjes ontwikkeld. De simpelste: zorg dat er aan het einde iets leuks wacht.


Een speeltuin werkt fantastisch. Een café met ijsjes ook. Wij zoeken daarom bij het uitkiezen van een route regelmatig bewust naar zo’n extraatje aan het einde. Niet omdat de wandeling zelf niet leuk genoeg is, maar omdat ‘nog twee kilometer en dan zijn we bij de speeltuin’ nu eenmaal een stuk aantrekkelijker klinkt dan ‘kom op jongens, nog twee kilometer’.


Een andere klassieker bij ons is de snoepjesspeurtocht. We nemen een zak snoepjes mee en tijdens de wandeling mag een van de kinderen een paar keer samen met een ouder vooruitlopen. Onderweg verstoppen ze de snoepjes langs het pad. De rest moet ze vervolgens zien te vinden. Werkt. Altijd. En ondertussen zijn we – heel toevallig natuurlijk – weer een behoorlijk stuk verder gelopen.

4. Vertel verhalen

Als de kinderen er echt een beetje doorheen zitten, klinkt vroeg of laat meestal deze vraag: ‘Mammy, vertel je een Jimmy, Joey en Jake-verhaal?’
Ja, je hoort het goed. Jimmy, Joey en Jake. Niet de echte namen van onze kinderen, maar de drie alter ego’s van onze zoons en inmiddels de hoofdpersonen in een eindeloze reeks door mijzelf verzonnen verhalen.


Toevallig zijn Jimmy, Joey en Jake vaak op vakantie op precies dezelfde plek als wij. Ze halen ongeveer dezelfde streken uit als onze jongens en moeten, geheel toevallig natuurlijk, ook regelmatig dezelfde levenslessen leren. De kinderen luisteren ademloos. Mijn achtjarige begint inmiddels wat interesse te tonen in het andere geslacht en fluistert me daarom vooraf soms toe: ‘Mammy, gaat Jimmy in dit verhaal dan ook met een meisje kussen?’ Vooruit. Jimmy komt een vakantieliefde tegen.


Ik verzin de verhalen volledig ter plekke. Een verrassend leuke creatieve oefening voor mijzelf, maar vooral een uitstekend middel om ongemerkt weer een flink stuk af te leggen. 

Ze luisteren, leven mee en – het belangrijkste – lopen ondertussen gewoon door!

Kimfairley
Kim

5. De draagzak is heel lang je beste vriend

Onze jongste is vier en we zijn nu echt aan het oefenen dat hij steeds grotere stukken zelf loopt. Maar na twee à drie kilometer is hij soms gewoon op. En dat is ook niet zo gek. Hij is vier. Hij heeft de kortste beentjes en kan simpelweg minder lang teren op zijn motivatie dan zijn oudere broers.


Dus als de koek echt op is: hup, op de rug en mee. Daar doen we niet moeilijk over. Hij is nog aan het leren langere afstanden te wandelen. Daardoor kan hij nog niet dezelfde afstanden afleggen als een zes- of achtjarige.


Wij hebben daarvoor bewust een draagzak die geschikt is voor kleuters, maar geen grote rugdrager met frame. Die neem je niet even voor de zekerheid mee. Onze draagzak vouwen we op en stoppen we gewoon in een tas. Pas als hij nodig is, komt hij tevoorschijn. Zo kan onze vierjarige de eerste kilometers zelf lopen, zonder dat zijn kortere benen vervolgens bepalen wanneer de rest van het gezin weer naar huis moet.

Wandelen met kleuter in draagzak

6. Wandel het hele jaar door

En dan misschien wel de belangrijkste. Als ouders mij vol verwondering vragen hoe het toch kan dat onze kinderen zoveel wandelen, stel ik vaak een wedervraag: ‘Wandelen jullie thuis ook weleens met de kinderen?’ ‘Nee, eigenlijk nooit.’
Tja. Hoe kun je dan verwachten dat je kinderen tijdens de vakantie ineens dolenthousiast zes kilometer met je een berg op lopen?


Wij wandelen het hele jaar door. Niet omdat we onze kinderen trainen voor de zomervakantie, maar omdat wandelen nu eenmaal iets is wat we als gezin graag doen. Het is buiten zijn, avontuur beleven en samen iets ondernemen. Dus zoeken we ook in Nederland in het weekend mooie routes uit. We lopen door nationale parken, struinen naar bijzondere routes en deden met onze twee oudsten zelfs al eens een trekking waarbij we onderweg in trekkershutten sliepen. Ook dicht bij huis zijn genoeg plekken te vinden waar een wandeling veel meer is dan enkel kilometers vreten.


Daardoor is wandelen op vakantie niet ineens: wat doen jullie ons nu weer aan? Het is iets dat ze kennen. Iets dat bij ons hoort. Dit is wat we samendoen. Hier houden we van. ‘Ja toch, jongens?’

Kimfairley

Over Kim Fairley

Buiten zijn en nieuwe plekken ontdekken doet Kim het liefst samen met haar gezin. Met drie kinderen trekt ze graag de bergen in, op zoek naar mooie wandelingen, bijzondere plekken en nieuwe avonturen. Voor Indebergen schrijft ze over bergvakanties met kinderen en deelt ze haar beste tips en ervaringen.