Wanneer de temperatuur in het dal oploopt tot 35 °C, lijkt een tocht naar grotere hoogte een logische manier om verkoeling te zoeken. Boven op de berg is het meestal inderdaad koeler, maar het verschil is niet altijd zo groot als je hoopt. Bovendien kan de zon op hoogte juist extra fel aanvoelen. Hoeveel graden scheelt het werkelijk en waar moet je tijdens een warme wandeldag rekening mee houden?
In het kort
- Gemiddeld daalt de temperatuur ongeveer 6 tot 6,5 °C per 1000 hoogtemeters.
- Is het op 500 meter hoogte 35 °C, dan kan het op 2000 meter rond de 25 à 26 °C zijn.
- Hoogte zorgt niet automatisch voor verkoeling: zon, wind, luchtvochtigheid en de ligging van de berg hebben veel invloed.
Hoeveel kouder wordt het per 1000 hoogtemeters?
Als vuistregel kun je aanhouden dat de temperatuur met ongeveer 6 tot 6,5 °C per 1000 meter hoogteverschil daalt. Per 100 hoogtemeters komt dat neer op ruim een halve graad.
De verklaring is dat de luchtdruk afneemt naarmate je hoger komt. Stijgende lucht zet uit en koelt daardoor af. Meteorologen noemen de verandering van de temperatuur met de hoogte de temperatuurgradiënt. Gemiddeld bedraagt die in de onderste laag van de atmosfeer ongeveer 6,5 °C per kilometer, maar onder droge of juist vochtige omstandigheden kan het verschil groter of kleiner zijn.
Hoogte
Geschatte temperatuur
500 meter
35 °C
1000 meter
32 °C
1500 meter
29 °C
2000 meter
26 °C
2500 meter
23 °C
3000 meter
20 °C
Deze tabel rekent met een afname van ongeveer 6 °C per 1000 meter. Het zijn nadrukkelijk richtwaarden. De werkelijke temperatuur kan op dezelfde hoogte meerdere graden afwijken.
Op 2000 meter kan het nog steeds behoorlijk warm zijn
Wie vanuit een dal op 500 meter naar een bergstation op 2000 meter gaat, overbrugt 1500 hoogtemeters. Bij een temperatuur van 35 °C in het dal kom je dan volgens de vuistregel uit op ongeveer 25 à 26 °C.
Dat is aangenamer dan in het dal, maar zeker niet koel. Vooral op een open zuidhelling, op een breed grindpad of in een kom zonder wind kan het nog altijd heet aanvoelen. Tijdens een stevige klim produceert je lichaam bovendien zelf veel warmte.
Pas vanaf ongeveer 2500 tot 3000 meter kan het temperatuurverschil op zo’n dag echt groot worden. Daar kan het volgens de rekensom 15 °C koeler zijn dan onder in het dal. Toch hoort ook op die hoogte een extra laag kleding in de rugzak. Zodra de zon verdwijnt, wolken binnendrijven of de wind aantrekt, kan de gevoelstemperatuur snel dalen.
Waarom de vuistregel niet altijd klopt
De afname van ongeveer 6 °C per 1000 meter is een gemiddelde. Op een specifieke dag kan de atmosfeer zich anders gedragen.
Zon en schaduw maken een groot verschil
De officiële temperatuur wordt in de schaduw gemeten. Loop je in de volle zon, dan ervaar je ook de warmte van de zonnestraling en van een opgewarmde ondergrond. Daardoor kan een gemeten temperatuur van 24 °C op een kale berghelling veel heter aanvoelen.
Een route door het bos of over een schaduwrijke noordhelling voelt doorgaans koeler dan een wandeling over een open zuidhelling. Bij de keuze van een wandeling is de ligging daarom minstens zo belangrijk als de hoogte.
Wind kan voor snelle verkoeling zorgen
Op een bergkam of top staat vaak meer wind dan in een beschut dal. Dat helpt bij het afvoeren van lichaamswarmte en kan de wandeling aangenamer maken.
Het effect kan ook omslaan. Wanneer kleding nat is van het zweet of wanneer een bui passeert, kan de combinatie van wind en lagere temperaturen voor snelle afkoeling zorgen. Een dunne wind- of regenjas blijft daarom ook tijdens een hittegolf verstandig.
Soms wordt het hogerop juist warmer
Bij een temperatuurinversie ligt koude lucht onder in het dal, terwijl de lucht op grotere hoogte warmer is. Dit komt vooral voor tijdens rustige nachten en heldere ochtenden. Het gebruikelijke temperatuurverloop is dan tijdelijk omgekeerd.
Tijdens een zomerse hittegolf is het verschil overdag meestal minder uitgesproken, maar het laat zien waarom een eenvoudige berekening nooit een lokale bergverwachting vervangt.
Föhn kan de berghellingen opwarmen
Bij föhn daalt lucht aan de lijzijde van de Alpen en warmt daarbij op. Het kan dan op de hellingen en in bepaalde dalen uitzonderlijk warm, droog en winderig worden. Een tocht naar grotere hoogte levert in zo’n situatie niet automatisch de verwachte verkoeling op.
Op hoogte is de zon juist krachtiger
Een lagere luchttemperatuur zegt weinig over de kracht van de zon. Naarmate je hoger komt, bevindt zich minder atmosfeer boven je om ultraviolette straling te filteren. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie neemt de hoeveelheid uv-straling per 1000 hoogtemeters met ongeveer 10% toe.
Op 2500 meter kun je daardoor sneller verbranden dan in het dal, ook wanneer de lucht prettig koel aanvoelt. Wolken bieden bovendien geen volledige bescherming tegen uv-straling.
Neem daarom ook op koelere bergdagen een pet of zonnehoed, zonnebril en zonnebrandcrème mee. Zoek tijdens lange pauzes bij voorkeur een plek in de schaduw.
Schrijf je in voor de nieuwsbrief!
Wil jij op de hoogte blijven van het laatste nieuws uit de bergen, verrast worden met leuke tips en aantrekkelijke aanbiedingen ontvangen? Schrijf je nu in en ontvang 'm iedere week in je mailbox.
Is wandelen tijdens 35 graden verstandig?
Dat hangt sterk af van de route, het tijdstip, de hoogte en je eigen conditie. Een korte wandeling vanuit een hooggelegen bergstation is iets anders dan een lange klim vanuit een heet dal.
Vertrek tijdens zeer warme dagen vroeg, kies voor kortere tochten en vermijd lange, zonnige zuidhellingen. Ook zijn schaduwrijke routes langs bossen, kloven of bergmeren geschikter dan kale hellingen waar de zon de hele dag op staat.
Start bij voorkeur vroeg in de ochtend, wanneer de omgeving nog niet volledig is opgewarmd. Houd er wel rekening mee dat de terugweg vaak tijdens het warmste deel van de dag plaatsvindt. Een route die om 08.00 uur aangenaam begint, kan rond 14.00 uur een heel ander karakter hebben.
Controleer vooraf:
- De temperatuur in het dal én op de hoogste punten van de route
- De hoeveelheid bewolking en de kracht van de zon
- De wind op bergkammen en toppen
- De kans op onweersbuien later op de dag
- Waar je onderweg water kunt bijvullen; hoeveel delen van de route in de schaduw liggen
Neem warmteklachten serieus
Hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, spierkrampen en extreme vermoeidheid kunnen wijzen op hitte-uitputting. Stop met wandelen, zoek een koele of schaduwrijke plek op en koel het lichaam. Hitte-uitputting kan overgaan in een hitteberoerte, waarvoor direct medische hulp nodig is.
Wacht niet tot iemand nauwelijks meer verder kan. Op een bergroute kan zelfs een milde klacht snel een probleem worden wanneer de dichtstbijzijnde hut, lift of weg nog ver weg is.
Zo vind je verkoeling in de bergen
Wil je tijdens een hete dag toch naar buiten, kies dan niet alleen voor “zo hoog mogelijk”. Een slimme combinatie van hoogte, schaduw en een vroege start levert vaak meer verkoeling op.
Geschikte opties zijn bijvoorbeeld:
- Een korte wandeling vanaf een berglift
- Een route door een bosrijke kloof
- Een wandeling op een noord- of westhelling
- Een tocht langs een bergbeek of stuwmeer
- Een hooggelegen rondwandeling zonder lange klim vanuit het dal.
Een kabelbaan naar 2000 meter kan het heetste deel van de beklimming overslaan, maar controleer altijd hoe laat de laatste lift vertrekt. Houd ook rekening met mogelijke weersomslagen. Zomerse hitte gaat in de Alpen regelmatig samen met een toenemende kans op onweersbuien later op de dag.
De berg is koeler, maar niet altijd koel
Bij 35 °C in een dal op 500 meter ligt de temperatuur op 2000 meter gemiddeld rond de 26 °C. Op 2500 meter kan het ongeveer 23 °C zijn en rond 3000 meter circa 20 °C. Dat klinkt aangenaam, maar zon, inspanning en een open berghelling kunnen de warmte nog steeds zwaar maken. Gebruik de regel van 6 °C per 1000 meter daarom alleen als eerste inschatting. Bekijk altijd de lokale bergverwachting en pas je route aan de omstandigheden aan. Tijdens extreme hitte kan een korte wandeling in de schaduw uiteindelijk verstandiger én prettiger zijn dan een lange tocht naar de top.